Leidraad certificaatdagenInleidingDe jachtcommissie SUN heeft de taak het stimuleren van de jachteigenschappen van spaniels door:- het houden van instructiedagen- het organiseren van diplomadagen c.q. spanielproeven- het organiseren en houden van veldwedstrijden- het organiseren en houden van jeugveld- en andere wedstrijdenDe certificaatdagen worden gehouden om de jachteigenschappen en taken van de spaniels te toetsenaan de hand van een aantal proeven. Hiermee wordt de ontwikkeling van de jachteigenschappenbevorderd. De certificaatdagen zijn gericht op spaniels voordat deze gaan deelnemen aan depraktijkjacht of veldwedstrijden.Deze leidraad is bedoeld als richtlijn en hulpmiddel voor deelnemers en keurmeesters. Daarnaast isde leidraad bedoeld om uniformiteit in de eisen en de beoordeling aan te brengen. Dit laat onverlet dater interpretatieverschillen kunnen ontstaan en/of aanpassingen door de keurmeesters wordentoegepast als zij dit door omstandigheden nodig achten.De certificaatdagen staan open voor alle spaniels welke vallen onder de rubrieken II.A, II.B of II.C vanhet algemeen veldwedstrijdreglement supplement voor spaniels en die tevens in het bezit zijn van eenofficiële stamboom.Tijdens de certificaatdagen worden de proeven afgelegd met de wildsoorten konijn en eend. Voor debeoordeling van steadynes wordt gebruik gemaakt van een b.v. alarmpistool of dummy-launcher.Doel:Het doel van de certificaatdagen is het niveau van africhting en het werk van de hond voor en na hetschot vast stellen door middel van een aantal voor de spaniel relevante proeven. Aan de hand hiervanwordt beoordeeld of de honden “klaar” zijn om daadwerkelijk deel te nemen aan de praktijkjacht en/ofveldwedstrijden voor spaniels. Hiermee wordt het gebruik van getrainde spaniels in de praktijkjachten/of veldwedstrijden gestimuleerd.Africhtcertificaat• Het africhtcertificaat geeft aan dat de hond aan het voor de jacht vereiste africhtings(gehoorzaamheids) niveau voldoet.• Het africhtcertificaat geeft aan dat de hond een redelijke mate van gehoorzaamheid en eenzekere wil tot jagen toont en voor de jacht vereiste africhtings (gehoorzaamheids) niveauvoldoet.• Om voor het africhtcertificaat in aanmerking te komen, is het niet noodzakelijk dat de proevenperfect worden uitgevoerd.• De apporten mogen met dummy’s worden uitgevoerd als de hond slechts voor hetafrichtcertificaat in aanmerking komt. De deelnemer moet voor aanvang van decertificaatdagen kiezen voor een dummy of wild. Wijzigen tijdens de dag is niet mogelijk.• Het africhtcertificaat wordt toegekend aan de honden die minimaal de proeven 1 t/m 4“voldoende” hebben afgelegd.Jachtgeschiktheidscertificaat• Het jachtgeschiktheidscertificaat wordt gegeven aan honden die blijk hebben gegeven klaar tezijn voor het “echte werk”. De keurmeesters dienten er rekening mee te houden dat dehonden nog geen of nauwelijks jachtervaring hebben.• Voor het jachtgeschiktheidscertificaat worden de eisen wat hoger worden gesteld omdat ditcertificaat een extra waarde heeft; het biedt namelijk o.a. voorrang bij de inschrijving voorjeugdwedstrijden. Het behaalde jachtgeschiktheidscertificaat wordt voor het fokreglement vansommige rasverenigingen gehanteerd.• Het jachtgeschiktheidscertificaat wordt toegekend aan alle honden die de proeven minimaalmet de beoordeling “voldoende” hebben afgelegd.Algemeen• Het behalen van het africhtcertificaat betekent niet automatisch deelname aan hetjachtgesciktheidscertificaat. Het is aan de keurmeesters om van de honden die hetafrichtcertificaat behaald hebben, de honden aan te wijzen die door mogen voor hetjachtgeschiktheidscertificaat.• Een correct apport wil zeggen dat de hond het gevonden stuk wild spontaan moet oppakkenen zonder onnodig verpakken en in vlot tempo naar zijn voorjager moet brengen en het opcommando prompt, zittend of staand moet afgeven.• Honden die tijdens de proeven: schotschuw zijn, of bij voortduring en nodeloos luid jagen, ofhard in de bek blijken te zijn, of zich agressief gedragen, of extreem slordig apporteren komenniet in aanmerking voor een certificaat.• Proef 1 en 2, 3a, b en c en proef 5a en b kunnen gecombineerd worden uitgevoerd• De honden mogen tijdens de proeven geen halsband dragen m.u.v. proef 1 (volgen aan de lijn).
AfrichtcertificaatProef 1: Volgen aan de lijnAlgemeen: Tijdens de praktische jacht komen regelmatig situaties voor waarbij het wenselijk/noodzakelijk is dat de (voor)jager de hond aanlijnt. Om redenen van veiligheid en comfort voor de(voor)jager wordt van de hond verlangd dat deze zich aan de lijn behoorlijk gedraagt.Doel: Beoordelen of de hond in voldoende mate kan volgen aan de lijn.Uitvoering van de proef: De voorjager loopt met de aangelijnde hond een parcours dat is uitgezetdoor de keurmeesters, b.v. in de vorm van een “acht”. De zal hond binnen- en buitenbochten moetenlopen. Tijdens de oefeningen laat de voorjager de hond een keer zitten. De voorjager bepaalt of dehond aan de rechter of de linkerzijde loopt.De beoordeling van de proef:Voldoende: De hond hindert de voorjager niet bij het lopen. De hond trekt niet, de lijn staat niet“gespannen”. De hond houdt contact met de voorjager om kennis te hebben van de richting waar dezenaar toe wil. De hond dient het bevel (met stem en/of fluit) tot zitten op te volgen, of voldoet in redelijkemate aan deze beschrijving.Onvoldoende: (Absoluut) niet voldoen aan deze beschrijving.Proef 2 : Komen op bevelAlgemeen: Tijdens de praktische jacht komen bij herhaling situaties voor waarbij de (voor)jager de vrijjagende spaniel bij zich wil roepen/fluiten. Vanwege diverse redenen (veiligheid, ordelijk verloop vande jacht etc.) is het noodzakelijk dat de spaniel het bevel vlot opvolgt.Doel: Beoordelen of de hond op commando terugkomt (het hier komen).Uitvoering van de proef: De hond wordt uitgestuurd zodanig dat een afstand van ongeveer 30 meterontstaat met de voorjager, of dat de hond ter beoordeling van de keurmeester voldoende vrij is. Devoorjager mag de hond stimuleren om afstand te nemen. Op aangeven van de keurmeester geeft devoorjager het bevel tot terugkomen. Het maakt niet uit of het bevel via de stem of de fluit wordtgegeven. De voorjager lijnt de hond aan.De beoordeling van de proef:Voldoende: De hond komt vlot tot redelijk vlot terug.Onvoldoende: Als de uitvoering van de proef niet het niveau haalt van de beschrijving bij voldoende ofde hond niet terugkomt.Proef 3a: Zoeken in lichte dekkingAlgemeen: In de jachtpraktijk wordt de spaniel vaak ingezet in (ruig) begroeid terrein. De spaniel dientte beschikken over zoekwil vooral in de dekking. Omdat de spaniel geen staande hond is zal hij onderhet geweer moeten jagen d.w.z. maximaal 30 meter van de voorjager.Doel: Beoordelen of de hond zoekwil heeft en dit doet met een zekere efficiëntie en passie.De uitvoering van de proef: De voorjager laat de hond zoeken in terrein met lichte dekking. De hondzal zo efficiënt als mogelijk onder het geweer jagen, bij voorkeur onder de wind.Op verzoek van de keurmeester wordt aan de voorjager gevraagd de hond af te stoppen door middelvan fluit. Daarna wordt door de keurmeester gevraagd door te gaan met het zoeken in lichte dekking.De beoordeling van de proef:Voldoende: De hond zoekt zelfstandig en in behoorlijk tempo, in contact met zijn voorjager de dekkingaf, of de hond zoekt in redelijk tempo de dekking af, maar heeft nog wel wat stimulans nodig van devoorjager.Onvoldoende: Is het niveau van het zoeken minder dan het voorafgaande, dan moet de beoordeling“onvoldoende” worden gegeven.Proef 3b: Steadynes na schotAlgemeen: Na het schot dient de spaniel te gaan zitten (of blijven staan ) om verdere bevelen van de(voor)jager af te wachten. Dit bevordert de veiligheid en het ordelijk verloop van de jacht.Doel: Beoordelen of de hond steady is nadat een schot is gegeven.De uitvoering van de proef: Aan het einde van het zoeken in lichte dekking zal een schot wordengegeven door de helpers (vrijwel direct aansluitend wordt een konijn geworpen, zie proef 3c). Despaniel zal spontaan en/of na bevel gaan zitten of blijven staan.De beoordeling van de proef:Voldoende:De spaniel gaat onmiddellijk na het schot uit zich zelf en/of op bevel zitten (of blijft staan),of de spaniel heeft een extra bevel nodig alvorens te stoppen.Onvoldoende: De hond is na na enkele herhalingen van de bevelen nog niet gestopt of springt volledigin.Proef 3c: Eenvoudig apportAlgemeen: Hoewel de spaniel primair een taak heeft voor het schot, wordt in de jachtpraktijk ook hetapport verlangd (hoewel niet op het niveau van de Retrievers).Doel: Beoordelen of de hond kan overschakelen van steadynes/jagen naar het apport.De uitvoering van de proef: Aan het eind van proef 3b moet de voorjager zijn hond afstoppen (zittenis wenselijk, niet noodzakelijk) Een helper zal een stuk wild (bij voorkeur een konijn) of dummyopgooien op een afstand van maximaal 30 m. Om het markeren te bevorderen zullen de helpers eenschot geven. De hond is steady en apporteert, na verzoek van de keurmeester, op aangeven van devoorjager.De beoordeling van de proef:Voldoende: De hond is steady, neemt het wild redelijk vlot op, verpakt het wild niet meer dannoodzakelijk en geeft netjes af (zitten is niet noodzakelijk, of de hond is voldoende steady, apporteertredelijk vlot en geeft redelijk netjes af.Onvoldoende: De hond weigert het apport of apporteert zeer slordig (bijv. veel te veel verpakken, nietbij de voorjager willen komen). Als de hond het wild/ de dummy niet vindt, dan is de proefvanzelfsprekend ook onvoldoende.Proef 4: Apport uit diep waterAlgemeen: In het waterrijke Nederland is een apport uit water tijdens de praktische jacht geenuitzondering.Doel: Beoordelen of de hond apporteert uit water.De uitvoering van de proef: Voor de proef wordt water gebruikt van voldoende diepte d.w.z. dat dehond tenminste enkele slagen moet zwemmen om het daarin geworpen wild (bijvoorkeur een eend) ofdummy te bereiken. Tijdens het werpen van het wild of dummy wordt een schot gegeven. De hondmag vertrekken na het bevel van de voorjager. Wat de afwerking van het apport betreft, kan wordenverwezen naar algemeen en proef 3c.De beoordeling van de proef:Voldoende: De hond is steady, gaat zonder probleem te water en apporteert volgens de eisen die ookin proef 3c worden gesteld, of de hond is voldoende steady of springt in, maar gaat daarna redelijk vlotte water, apporteert redelijk verzorgd.Onvoldoende: Weigering te water gaan, weigeren te apporteren of een zeer slordig apport zijnredenen om deze proef met “onvoldoende” te beoordelen.JachtgeschiktheidcertificaatProef 5a: Zoeken in zware dekkingAlgemeen: Zoeken in zware dekking is datgene waarin de spaniel zich onderscheidt t.o.v. anderejachthondenrassen. Hierin dient hij te excelleren.Doel: Beoordelen of de hond zoekwil heeft in zware dekking: passie.De uitvoering van de proef: De hond wordt ingezet in zware dekking (bramen , duindoorns etc,o.d.)Door de zwaarte van de dekking is de hond niet altijd zichtbaar voor de voorjager. Het is noodzakelijkdat de hond eigen initiatief en moed toont. De hond dient het terrein onder het geweer en (zo veel alsmogelijk) systematisch af te jagen.De beoordeling van de proef:Voldoende: De hond die beantwoordt aan bovenstaand beeld, of de hond die bovenstaand beeldbenadert, maar nog wat kleine aanmoediging van de voorjager nodig heeft.Onvoldoende: De hond die bij herhaling dekking weigert en/of te veel stimulering nodig heeft.Proef 5b: Steadynes op (opgaand) wildAlgemeen: Om de jager een veilige schotkans te bieden is het noodzakelijk dat de hond op zijn plaatsblijft als het wild opgaat.Doel: (gefingeerd) Beoordelen van de steadynes op de flush.De uitvoering van de proef: Aan het eind van proef 5a zal een helper een stuk wild (bijvoorkeur eenkonijn) opgooien (met schot) dat duidelijk door de hond kan worden waargenomen. Het wild wordtzodanig geworpen dat van een verleidelijke situatie tot “inspringen” kan worden gesproken. Het magniet worden geapporteerd.De beoordeling van de proef:Voldoende: De hond gaat meteen zitten (c.q. blijft staan) als hij het wild ziet gaan, of de hond gaatvrijwel meteen zitten (c.q. blijft staan) als hij het wild ziet gaan of stopt op bevel.Onvoldoende: De hond stopt niet na een bevel/ springt volledig in.Proef 6: Verloren apport uit dichte dekkingAlgemeen: Omdat het werk van de spaniel zal bestaan uit het werken in de dekking, is het nietondenkbaar dat geschoten wild in de dichte dekking zal vallen. De goede verloren apporteur is indergelijke gevallen een onmisbare hulp.Doel: Beoordelen of de hond op zelfstandige (en systematische) zoekwijze wild binnen brengt.De uitvoering van de proef: Onzichtbaar voor de hond wordt een stuk wild (bijvoorkeur een konijn)weggelegd in zware onoverzichtelijke dekking.De hond wordt ingezet op een afstand van ongeveer 25 tot 30 meter van de valplaats van het wild, bijvoorkeur met inkomende (of halve wind) wind. De hond dient het wild op te zoeken en te apporterenvolgens de eisen van proef 3c. De proef moet zodanig ingericht zijn dat de hond uit zicht van devoorjager werkt.De beoordeling van de proef:Voldoende: De hond vindt het wild (bijna) zonder aanwijzingen van de voorjager en apporteertcorrect, of de hond heeft bij het vinden van het wild wat extra ondersteuning nodig en apporteertdaarna voldoende correct.Onvoldoende: De hond vindt het wild niet of heeft erg veel steun nodig en/of apporteert erg slordig.JACHTCOMMISSIELEIDRAAD CERTIFICAATDAGEN, OPGESTELD in samenwerking met A.R. FREDERIKSVERSIE 2011-9 |