Jachtgeschiktheidcertificaat
Proef 5a: Zoeken in zware dekking
Algemeen: Zoeken in zware dekking is datgene waarin de spaniel zich onderscheidt t.o.v. andere
jachthondenrassen. Hierin dient hij te excelleren.
Doel: Beoordelen of de hond zoekwil heeft in zware dekking: passie.
De uitvoering van de proef: De hond wordt ingezet in zware dekking (bramen , duindoorns etc,o.d.)
Door de zwaarte van de dekking is de hond niet altijd zichtbaar voor de voorjager. Het is noodzakelijk
dat de hond eigen initiatief en moed toont. De hond dient het terrein onder het geweer en (zo veel als
mogelijk) systematisch af te jagen.
De beoordeling van de proef:
Voldoende: De hond die beantwoordt aan bovenstaand beeld, of de hond die bovenstaand beeld
benadert, maar nog wat kleine aanmoediging van de voorjager nodig heeft.
Onvoldoende: De hond die bij herhaling dekking weigert en/of te veel stimulering nodig heeft.
Proef 5b: Steadynes op (opgaand) wild
Algemeen: Om de jager een veilige schotkans te bieden is het noodzakelijk dat de hond op zijn plaats
blijft als het wild opgaat.
Doel: (gefingeerd) Beoordelen van de steadynes op de flush.
De uitvoering van de proef: Aan het eind van proef 5a zal een helper een stuk wild (bijvoorkeur een
konijn) opgooien (met schot) dat duidelijk door de hond kan worden waargenomen. Het wild wordt
zodanig geworpen dat van een verleidelijke situatie tot “inspringen” kan worden gesproken. Het mag
niet worden geapporteerd.
De beoordeling van de proef:
Voldoende: De hond gaat meteen zitten (c.q. blijft staan) als hij het wild ziet gaan, of de hond gaat
vrijwel meteen zitten (c.q. blijft staan) als hij het wild ziet gaan of stopt op bevel.
Onvoldoende: De hond stopt niet na een bevel/ springt volledig in.
Proef 6: Verloren apport uit dichte dekking
Algemeen: Omdat het werk van de spaniel zal bestaan uit het werken in de dekking, is het niet
ondenkbaar dat geschoten wild in de dichte dekking zal vallen. De goede verloren apporteur is in
dergelijke gevallen een onmisbare hulp.
Doel: Beoordelen of de hond op zelfstandige (en systematische) zoekwijze wild binnen brengt.
De uitvoering van de proef: Onzichtbaar voor de hond wordt een stuk wild (bijvoorkeur een konijn)
weggelegd in zware onoverzichtelijke dekking.


Leidraad certificaatdagen


Inleiding


De jachtcommissie SUN heeft de taak het stimuleren van de jachteigenschappen van spaniels door:

- het houden van instructiedagen

- het organiseren van diplomadagen c.q. spanielproeven

- het organiseren en houden van veldwedstrijden

- het organiseren en houden van jeugveld- en andere wedstrijden

De certificaatdagen worden gehouden om de jachteigenschappen en taken van de spaniels te toetsen

aan de hand van een aantal proeven. Hiermee wordt de ontwikkeling van de jachteigenschappen

bevorderd. De certificaatdagen zijn gericht op spaniels voordat deze gaan deelnemen aan de

praktijkjacht of veldwedstrijden.


Deze leidraad is bedoeld als richtlijn en hulpmiddel voor deelnemers en keurmeesters. Daarnaast is

de leidraad bedoeld om uniformiteit in de eisen en de beoordeling aan te brengen. Dit laat onverlet dat

er interpretatieverschillen kunnen ontstaan en/of aanpassingen door de keurmeesters worden

toegepast als zij dit door omstandigheden nodig achten.

De certificaatdagen staan open voor alle spaniels welke vallen onder de rubrieken II.A, II.B of II.C van

het algemeen veldwedstrijdreglement supplement voor spaniels en die tevens in het bezit zijn van een

officiële stamboom.

Tijdens de certificaatdagen worden de proeven afgelegd met de wildsoorten konijn en eend. Voor de

beoordeling van steadynes wordt gebruik gemaakt van een b.v. alarmpistool of dummy-launcher.


Doel:


Het doel van de certificaatdagen is het niveau van africhting en het werk van de hond voor en na het

schot vast stellen door middel van een aantal voor de spaniel relevante proeven. Aan de hand hiervan

wordt beoordeeld of de honden “klaar” zijn om daadwerkelijk deel te nemen aan de praktijkjacht en/of

veldwedstrijden voor spaniels. Hiermee wordt het gebruik van getrainde spaniels in de praktijkjacht

en/of veldwedstrijden gestimuleerd.

Africhtcertificaat


• Het africhtcertificaat geeft aan dat de hond aan het voor de jacht vereiste africhtings

(gehoorzaamheids) niveau voldoet.

• Het africhtcertificaat geeft aan dat de hond een redelijke mate van gehoorzaamheid en een

zekere wil tot jagen toont en voor de jacht vereiste africhtings (gehoorzaamheids) niveau

voldoet.

• Om voor het africhtcertificaat in aanmerking te komen, is het niet noodzakelijk dat de proeven

perfect worden uitgevoerd.

• De apporten  mogen met dummy’s worden uitgevoerd als de hond slechts voor het

africhtcertificaat in aanmerking komt. De deelnemer moet voor aanvang van de

certificaatdagen kiezen voor een dummy of wild. Wijzigen tijdens de dag is niet mogelijk.

• Het africhtcertificaat wordt toegekend aan de honden die minimaal de proeven  1 t/m 4

“voldoende” hebben afgelegd.


Jachtgeschiktheidscertificaat


• Het jachtgeschiktheidscertificaat wordt gegeven aan honden die blijk hebben gegeven klaar te

zijn voor het “echte werk”. De keurmeesters dienten er rekening mee te houden dat de

honden nog geen of nauwelijks jachtervaring hebben.


• Voor het jachtgeschiktheidscertificaat worden de eisen wat hoger worden gesteld omdat dit

certificaat een extra waarde heeft; het biedt namelijk o.a. voorrang bij de inschrijving voor

jeugdwedstrijden. Het behaalde jachtgeschiktheidscertificaat wordt voor het fokreglement van

sommige rasverenigingen gehanteerd.

• Het jachtgeschiktheidscertificaat wordt toegekend aan alle honden die de proeven minimaal

met de beoordeling “voldoende” hebben afgelegd.


Algemeen


• Het behalen van het africhtcertificaat betekent niet automatisch deelname aan het

jachtgesciktheidscertificaat. Het is aan de keurmeesters om van de honden die het

africhtcertificaat behaald hebben, de honden aan te wijzen die door mogen voor het

jachtgeschiktheidscertificaat.

• Een correct apport wil zeggen dat de hond het gevonden stuk wild spontaan moet oppakken

en zonder onnodig verpakken en in vlot tempo naar zijn voorjager moet brengen en het op

commando prompt, zittend of staand moet afgeven.

• Honden die tijdens de proeven: schotschuw zijn, of bij voortduring en nodeloos luid jagen, of

hard in de bek blijken te zijn, of zich agressief gedragen, of extreem slordig apporteren komen

niet in aanmerking voor een certificaat.

• Proef 1 en 2, 3a, b en c en proef 5a en b kunnen gecombineerd  worden uitgevoerd

• De honden mogen tijdens de proeven geen halsband dragen m.u.v. proef 1 (volgen aan de lijn).

 

Africhtcertificaat


Proef 1: Volgen aan de lijn


Algemeen: Tijdens de praktische jacht komen regelmatig situaties voor waarbij het wenselijk/

noodzakelijk is dat de (voor)jager de hond aanlijnt. Om redenen van veiligheid en comfort voor de

(voor)jager wordt van de hond verlangd dat deze zich aan de lijn behoorlijk gedraagt.


Doel: Beoordelen of de hond in voldoende mate kan volgen aan de lijn.


Uitvoering van de proef: De voorjager loopt met de aangelijnde hond een parcours dat is uitgezet

door de keurmeesters, b.v. in de vorm van een “acht”. De zal hond binnen- en buitenbochten moeten

lopen. Tijdens de oefeningen laat de voorjager de hond  een keer zitten. De voorjager bepaalt of de

hond aan de rechter of de linkerzijde loopt.


De beoordeling van de proef:


Voldoende: De hond hindert de voorjager niet bij het lopen. De hond trekt niet, de lijn staat niet

“gespannen”. De hond houdt contact met de voorjager om kennis te hebben van de richting waar deze

naar toe wil. De hond dient het bevel (met stem en/of fluit) tot zitten op te volgen, of voldoet in redelijke

mate aan deze beschrijving.


Onvoldoende: (Absoluut) niet voldoen aan deze beschrijving.


Proef 2 : Komen op bevel


Algemeen: Tijdens de praktische jacht komen bij herhaling situaties voor waarbij de (voor)jager de vrij

jagende spaniel bij zich wil roepen/fluiten. Vanwege diverse redenen (veiligheid, ordelijk verloop van

de jacht etc.) is het noodzakelijk dat de spaniel het bevel vlot opvolgt.



Doel: Beoordelen of de hond op commando terugkomt (het hier komen).


Uitvoering van de proef: De hond wordt uitgestuurd zodanig dat een afstand van ongeveer 30 meter

ontstaat met de voorjager, of dat de hond ter beoordeling van de keurmeester voldoende vrij is. De

voorjager mag de hond stimuleren om afstand te nemen. Op aangeven van  de keurmeester geeft de

voorjager het bevel tot terugkomen. Het maakt niet uit of het bevel via de stem of de fluit wordt

gegeven. De voorjager lijnt de hond aan.


De beoordeling van de proef:


Voldoende: De hond komt vlot tot redelijk vlot terug.


Onvoldoende: Als de uitvoering van de proef niet het niveau haalt van de beschrijving bij voldoende of

de hond niet terugkomt.


Proef 3a: Zoeken in lichte dekking


Algemeen: In de jachtpraktijk wordt de spaniel vaak ingezet in (ruig) begroeid terrein. De spaniel dient

te beschikken over zoekwil vooral in de dekking. Omdat de spaniel geen staande hond is zal hij onder

het geweer moeten jagen d.w.z. maximaal 30 meter van de voorjager.


Doel: Beoordelen of  de hond zoekwil heeft en dit doet met een zekere efficiëntie en passie.


De uitvoering van de proef: De voorjager laat de hond zoeken in terrein met lichte dekking. De hond

zal zo efficiënt als mogelijk onder het geweer  jagen, bij voorkeur onder de wind.


Op verzoek van de keurmeester wordt aan de voorjager gevraagd de hond af te stoppen door middel

van fluit. Daarna wordt door de keurmeester gevraagd door te gaan met het zoeken in lichte dekking.


De beoordeling van de proef:


Voldoende: De hond zoekt zelfstandig en in behoorlijk tempo, in contact met zijn voorjager de dekking

af, of de hond zoekt in redelijk tempo de dekking af, maar heeft nog wel wat stimulans nodig van de

voorjager.


Onvoldoende: Is het niveau van het zoeken minder dan het voorafgaande, dan moet de beoordeling

“onvoldoende” worden gegeven.


Proef 3b: Steadynes na schot


Algemeen: Na het schot dient de spaniel te gaan zitten (of blijven staan ) om verdere bevelen van de

(voor)jager af te wachten. Dit bevordert de veiligheid en het ordelijk verloop van de jacht.


Doel: Beoordelen of de hond steady is nadat een schot is gegeven.


De uitvoering van de proef: Aan het einde van het zoeken in lichte dekking zal een schot worden

gegeven door de helpers (vrijwel direct aansluitend wordt een konijn geworpen, zie proef 3c). De

spaniel zal spontaan en/of na bevel gaan zitten of blijven staan.


De beoordeling van de proef:

Voldoende:De spaniel gaat onmiddellijk na het schot uit zich zelf en/of op bevel zitten (of blijft staan),

of de spaniel heeft een extra bevel nodig alvorens te stoppen.


Onvoldoende: De hond is na na enkele herhalingen van de bevelen nog niet gestopt of springt volledig

in.


Proef 3c: Eenvoudig apport


Algemeen: Hoewel de spaniel primair een taak heeft voor het schot, wordt in de jachtpraktijk ook het

apport verlangd (hoewel niet op het niveau van de Retrievers).


Doel: Beoordelen of de hond kan overschakelen van steadynes/jagen naar het apport.


De uitvoering van de proef: Aan het eind van proef 3b moet de voorjager zijn hond afstoppen (zitten

is wenselijk, niet noodzakelijk) Een helper zal een stuk wild (bij voorkeur een konijn) of dummy

opgooien op een afstand van maximaal 30 m. Om het markeren te bevorderen zullen de helpers een

schot geven. De hond is steady en apporteert, na verzoek van de keurmeester, op aangeven van de

voorjager.


De beoordeling van de proef:


Voldoende: De hond is steady, neemt het wild redelijk vlot op, verpakt het wild niet meer dan

noodzakelijk en geeft netjes af (zitten is niet noodzakelijk, of de hond is voldoende steady, apporteert

redelijk vlot  en geeft redelijk netjes af.


Onvoldoende: De hond weigert het apport of apporteert zeer slordig (bijv. veel te veel verpakken, niet

bij de voorjager willen komen). Als de hond het wild/ de dummy niet vindt, dan is de proef

vanzelfsprekend ook onvoldoende.


Proef 4: Apport uit diep water


Algemeen: In het waterrijke Nederland is een apport uit water tijdens de praktische jacht geen

uitzondering.


Doel: Beoordelen of de hond apporteert uit water.


De uitvoering van de proef: Voor de proef wordt water gebruikt van voldoende diepte d.w.z. dat de

hond tenminste enkele slagen moet zwemmen om het daarin geworpen wild (bijvoorkeur een eend) of

dummy te bereiken. Tijdens het werpen van het wild of dummy wordt een schot gegeven. De hond

mag vertrekken na het bevel van de voorjager. Wat de afwerking van het apport betreft, kan worden

verwezen naar algemeen en proef 3c.


De beoordeling van de proef:


Voldoende:  De hond is steady, gaat zonder probleem te water en apporteert volgens de eisen die ook

in proef 3c worden gesteld, of de hond is voldoende steady of springt in, maar gaat daarna redelijk vlot

te water, apporteert redelijk verzorgd.


Onvoldoende: Weigering te water gaan, weigeren te apporteren of een zeer slordig apport zijn

redenen om deze proef met “onvoldoende” te beoordelen.


Jachtgeschiktheidcertificaat


Proef 5a: Zoeken in zware dekking


Algemeen: Zoeken in zware dekking is datgene waarin de spaniel zich onderscheidt t.o.v. andere

jachthondenrassen. Hierin dient hij te excelleren.


Doel: Beoordelen of  de hond zoekwil heeft in zware dekking: passie.


De uitvoering van de proef: De hond wordt ingezet in zware dekking (bramen , duindoorns etc,o.d.)

Door de zwaarte van de dekking is de hond niet altijd zichtbaar voor de voorjager. Het is noodzakelijk

dat de hond  eigen initiatief en moed toont. De hond dient het terrein onder het geweer en  (zo veel als

mogelijk) systematisch af te jagen.


De beoordeling van de proef:


Voldoende:  De hond die beantwoordt aan bovenstaand beeld, of de hond die bovenstaand beeld

benadert, maar nog wat kleine aanmoediging van de voorjager nodig heeft.


Onvoldoende: De hond die bij herhaling dekking weigert en/of te veel stimulering nodig heeft.


Proef 5b: Steadynes op (opgaand) wild


Algemeen: Om de jager een veilige schotkans te bieden is het noodzakelijk dat de hond op zijn plaats

blijft als het wild opgaat.

Doel: (gefingeerd) Beoordelen van de steadynes op de flush.

De uitvoering van de proef: Aan het eind van proef 5a zal een helper een stuk wild (bijvoorkeur een

konijn) opgooien (met schot) dat duidelijk door de hond kan worden waargenomen. Het wild wordt

zodanig geworpen dat van een verleidelijke situatie tot “inspringen” kan worden gesproken. Het mag

niet worden geapporteerd.


De beoordeling van de proef:


Voldoende:   De hond gaat meteen zitten (c.q. blijft staan) als hij het wild ziet gaan, of de hond gaat

vrijwel meteen zitten (c.q. blijft staan) als hij het wild ziet gaan of stopt op bevel.

Onvoldoende: De hond stopt niet na een bevel/ springt volledig in.


Proef 6: Verloren apport uit dichte dekking


Algemeen: Omdat het werk van de spaniel zal bestaan uit het werken in de dekking, is het niet

ondenkbaar dat geschoten wild in de dichte dekking zal vallen. De goede verloren apporteur is in

dergelijke gevallen een onmisbare hulp.


Doel: Beoordelen of de hond op zelfstandige (en systematische) zoekwijze wild binnen brengt.

De uitvoering van de proef: Onzichtbaar voor de hond wordt een stuk wild (bijvoorkeur een konijn)

weggelegd in zware onoverzichtelijke dekking.


De hond wordt ingezet op een afstand van ongeveer 25 tot 30 meter van de valplaats van het wild, bij

voorkeur met inkomende (of halve wind) wind. De hond dient het wild op te zoeken en te apporteren

volgens de eisen van proef 3c. De proef moet zodanig ingericht zijn dat de hond uit zicht van de

voorjager werkt.


De beoordeling van de proef:


Voldoende:  De hond vindt het wild (bijna) zonder aanwijzingen van de voorjager en apporteert

correct, of de hond heeft bij het vinden van het wild wat extra ondersteuning nodig  en apporteert

daarna voldoende correct.

Onvoldoende: De hond vindt het wild niet of heeft erg veel steun nodig en/of apporteert erg slordig.


JACHTCOMMISSIE


LEIDRAAD CERTIFICAATDAGEN, OPGESTELD in samenwerking met A.R. FREDERIKS

VERSIE 2011-9




Copyright © 2010 www.engelsespringerspanielclub.nl